woensdag 9 februari 2011

POEZENLEVEN



Ze woont als een mysterie
in ons huis,
een warme, zwarte bol
met lenige gewrichten,
import uit het poezenrijke stratenplan
van Vlaanderen, nauwelijks traceerbaar.

Zo gaat ze ook haar eigen gangen:
ongekend, onnaspeurbaar, eigenmachtig.
Misschien is dat ook wel
waarom we vaak van poezen houden:
hun vanzelfsprekende flair voor vrijheid,
hun kommerloze slapen en spinnen
en dan toch zonder taal of teken
plots ribbedebie blijken te zijn,

de wildernis van tuinen en paden
en palen en draden en daken in,
de donkerte van de nacht,
het verscholene van struikgewas.
Daarin plots verdwenen zijn,
als hun eigen heer en meester
in een wereld waarvan wij, arme mensen,
nooit op de juiste hoogte zullen zijn.

Poes, je bent  een makkelijk wezen.
Je eet en slaapt en sluipt en leeft geruisloos.
Je wil ons vaak dicht in je buurt gedogen.
We mogen je eten geven, strelen,
binnen laten, buiten laten,
soms even nemen op de schoot.
Dan ben je weer verzwonden
en gaat gedachteloos je eigen gangen

tot je aan deuren of ramen weer krabbend, 
miauwend laat merken dat je er bent.
En wij doen open. En we zeggen,
opgelucht je na het nachtelijk dwalen weer,
heelhuids terug, te mogen aanschouwen:
“Welgekomen!
Treed toch binnen, Prins Poes!”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten